United Kingdom Flag
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK
Alexander Bernhardt Publishing Company - UK

GEDACHTEN BIJ DE GRAALSBOODSCHAP




Artikel 3:

Al het dode in de schepping zal worden opgewekt, opdat het zich berechte!



Deze uitspraak is ontleend aan het christelijke gedachtegoed. Abd-ru-shin neemt haar op, om hieraan «In het Licht der Waarheid» een nieuwe verklaring te geven, waaruit zich voor de lezer, die hem in zijn uiteenzettingen volgt, juist met het oog op het tijdperk van de geschiedenis van de mensheid waarin wij ons tegenwoordig bevinden, een nieuwe, verder leidende zienswijze ontwikkelt.


De uitspraak «Al het dode in de schepping zal worden opgewekt, opdat het zich berechte!» bevat de gedachte van het «zich-berechten», wat erop wijst, dat de mens onder een soort rechtsmacht geplaatst moet zijn, die hij niet kan ontwijken. In verband hiermee kunnen ook begrippen als «Jongste Gericht» of «Eindgericht» worden aangehaald, die door de uiteenzettingen van Abd-ru-shin op begrijpelijke en goed te volgen wijze een nieuwe plaats kunnen krijgen.


Het berechten of, anders uitgedrukt, het zich-voltrekken van het gericht lijkt op de tijd van een oogst, waarbij de beslissing wordt genomen, welke vruchten goed zijn en verder mogen blijven bestaan, en welke vruchten slecht zijn en daardoor aan de vernietiging moeten worden overgelaten.


In het begin van zijn voordracht «Al het dode in de schepping zal worden opgewekt, opdat het zich berechte!» wijst Abd-ru-shin op een verkeerde betekenis, die veel voorkomt met betrekking tot het begrip van wat als «dood» wordt aangeduid. De verklaring dat het hierbij niet om het opwekken van alle doden gaat, maar om het opwekken van al het dode, opent in het verdere verloop van de ontwikkeling der gedachten de weg naar geheel nieuwe gevolgtrekkingen.


Maar wat wordt er met het begrip «al het dode» concreet bedoeld?


Het kan hier wellicht helpen voor een beter begrip, om zich de gebeurtenissen bij de mens voor te stellen naar analogie van het gebeuren in de natuur: overal in de natuur, bij alle levende wezens, bij planten of ook landschappen - bij alle lichamen en vormen - vinden we iets vitaals, iets actief levends, maar ook iets sluimerends, dat een afgestorven indruk maakt.


De mens zelf als persoonlijkheid behoort evenwel niet tot de natuur, hij komt voort uit een boven de natuur liggende geaardheid, die Abd-ru-shin in de Graalsboodschap met «geest» aanduidt. In zijn hoedanigheid als geest beschikt de mens over een persoonlijk wilsvermogen, dat hem tot het uitgangs- en verzamelpunt van zijn eigen gedachten en daden maakt, waardoor hij zelf zijn persoonlijkheid schept en vormt.


Deze geest is omhuld met een gewaad, de ziel, dat afkomstig is van een stofsoort die in haar uitlopers de natuur vormt. Voor zijn verblijf op aarde krijgt de geest bovendien een aards lichaam, dat hem gedurende de tijd tussen geboorte en dood als verder omhulsel en als werktuig dient, waarbij moet worden opgemerkt, dat de Graalsboodschap spreekt van meervoudige reïncarnaties van de mensengeest, die hij overeenkomstig zijn persoonlijke drang en de hem omgevende omstandigheden meer of minder benut. Inwerkend op de natuur en al lerend doorloopt de geest van de mens de hem gegeven tijd op aarde, en bij ieder afzonderlijk aards leven verandert, verrijkt of schaadt de mens het gewaad van zijn ziel, want dit tekent alles op wat van hem uitging.


De geest van de mens is leven. Dit leven doorstraalt met zijn vitale kracht het gewaad van de ziel en verder ook het aardse lichaam. Zoals al het grofstoffelijke is echter ook het aardse lichaam onderworpen aan de wet van het rijpen en uiteenvallen van de materie, en zo komt op een gegeven moment het ogenblik, dat deze levende stralingsverbinding minder sterk wordt en het aardse lichaam afsterft. De geest in het gewaad van zijn ziel evenwel, die zich dan weer van het lichaam moet losmaken, blijft voortbestaan en in dit gewaad van de ziel is, zoals vermeld, al het geestelijke willen van de mens opgeslagen of ingeprent, het is tot een vast bestanddeel van hem geworden. Veel van het ingeprente is levend, omdat het door het willen van de geest altijd weer actief is en wordt doorstraald met zijn levenskracht. Heel wat blijft evenwel inactief en hangt als was het dood aan de draden van het gewaad van de ziel - en toch is het sluimerend aanwezig.


Veel geloofsleren stemmen nu overeen in hun berichten over een tijdstip van de afrekening, een tijdstip, waarop de levenskern - dus de geest van de mens - rekenschap moet afleggen over zijn doen en willen. Deze afrekening wordt ook aangeduid met de begrippen «Jongste Gericht» of «Eindgericht». Hoe zo'n gericht zich echter zal voltrekken, daarover bestaan de meest verschillende, bij wijlen raadselachtige en gruwelijke opvattingen.


De Graalsboodschap geeft hierover een geheel eigen verklaring:


Ten tijde van het Eindgericht stroomt een bijzondere stralenkracht, die van God, de oorsprong van alle dingen, uitgaat, in het zielsgewaad van de mens. Door deze gebeurtenis komt het zielsgewaad, dat de mens als product van het willen en handelen van zijn geest omgeeft, in een krachtveld terecht dat al het aanwezige tot activiteit dwingt. Alles, wat tot dan toe sluimerend of als het ware dood in het zielsgewaad van de mens hing, moet nu in het aardse leven, waar het eens werd veroorzaakt, tot uitwerking komen en zich daardoor berechten. «Berechten» betekent, dat de veroorzaker de vruchten van zijn willen tot zich moet nemen. Zelfs wanneer het vroegere willen reeds in een aards leven, dat duizenden jaren geleden geleefd werd, zijn aanvang heeft gehad.


Wanneer wij tegenwoordig op de geschiedenis van de mensheid terugblikken, dan zien we lange periodes, waarin er levensomstandigheden bestonden die wij vanuit de huidige visie alleen nog mensonwaardig kunnen noemen en die wij maar al te graag als in het verleden begraven zouden willen zien.


Nemen we echter in aanmerking dat wij nu al tientallen jaren onderworpen zijn aan de uitwerkingen van het Eindgericht ofwel het Jongste Gericht, dan mag het ons niet verwonderen dat juist tegenwoordig al deze dingen om ons heen weer opgeleefd zijn, en dat zoveel haat, laagheid, wreedheid en al dat andere verwerpelijke, waarover wij dagelijks horen, de mensheid teistert.


Het opwekken van al het dode en het zich als gevolg daarvan moeten berechten geeft de veroorzaker het loon of de straf die hij verdient, daarmee echter ook de mogelijkheid van het inzien en het zich bevrijden van het verkeerde, dat nog in het gewaad van zijn ziel hangt. Ook hier zijn de wetten van de natuur, die als neerslag van het willen van de Schepper werken, onomkoopbaar en kunnen door geen macht in de wereld worden beïnvloed.


Het werk «In het licht der Waarheid» beschrijft in een opeenvolging van beelden de Wil van de Schepper, waarvoor ook de mens zich moet buigen, wanneer hij vrede wil hebben. Pas wanneer zulk een ware vrede van hem uitgaat, is het voor de geest van de mens mogelijk naar zijn geestelijke vaderland, het paradijs, terug te keren.


Siegfried Bernhardt



Nu volgt de voordracht uit het werk «In het licht der Waarheid» – Graalsboodschap – van Abd-ru-shin, deel I, Nr. 26:


Al het dode in de schepping zal worden opgewekt, opdat het zich berechte!


Jongste Gericht! Iedere belofte, die daarmee samenhangt, verkondigt de opwekking van alle doden voor het Eindgericht. In het begrip van deze uitdrukking werd door de mensen echter wederom een dwaling ingebracht, want het moet niet zijn: opwekking van alle doden, maar opwekking van al het dode! Dat is: het tot leven wekken van al datgene wat in de schepping zonder beweging is, opdat het voor het Godsgericht tot leven kome, door zijn werkzaamheid wordt omhooggeheven of uitgeroeid!


Niets blijft thans zonder beweging; want de levende kracht die nu versterkt door de gehele schepping stroomt, stuwt en drukt, dwingt alles tot beweging. Daardoor zal het krachtiger worden, ook datgene wat tot dusver rustte of sluimerde. Het wordt opgewekt, versterkt en moet daardoor tot handelen komen, wordt bij beginnende werkzaamheid als het ware naar het licht gesleurd, ook al wilde het zich verbergen. Men kan ook zeggen, het komt zelf aan het licht en moet zich vertonen, kan niet voortsluimeren, waar het zich ook bevindt. Zoals men pleegt te zeggen: «Het komt aan den dag!»


Alles wordt leven, wordt daad in deze gehele schepping door het nieuwe binnendringen van het licht! Het licht trekt daarbij machtig aan … of het nu met of tegen de wil is van wat in deze schepping rust, misschien zelfs zich verbergt, en het komt tenslotte ook met dit licht in aanraking, kan het niet ontlopen, ook al had het de vleugels van de dageraad, geen plaats in de gehele schepping kan het daartegen bescherming bieden. Niets blijft onbelicht.


Door de beweging van het aangetrokken-worden echter moet tegen dit licht te pletter slaan en verbranden, wat de straling niet verdraagt, wat dus niet innerlijk al zelf naar dit licht streeft. Wat op het licht is ingesteld, zal echter opbloeien en sterker worden door de reinheid van zijn willen!


Zo is het ook met alle eigenschappen van de zielen van deze aardemensen. Wat tot dusver daarin als dood scheen te rusten, wat sluimerde, vaak zonder dat de mensen het zelf wisten, dat zal onder de druk van de kracht ontwaken en sterker worden, wordt tot gedachte en tot daad, opdat het zich overeenkomstig zijn aard in het werken zelf berechte aan het licht! Denkt eraan, het komt tot leven, wat er ook in u rust! Daarin ligt de opwekking van al het dode! Levend gericht! Jongste Gericht!


U moet daarbij met alles in uzelf gereed komen, moet u reinigen, of u vergaat met het kwaad, wanneer dit de overhand in u kan krijgen. Dan houdt het u vast, slaat boven uw hoofd samen, schuimend en sissend opspattend, om u mee te sleuren in de afgrond van de ontbinding, want het kan niet langer bestaan in de glans van de goddelijke kracht! – – –


U heb ik thans het woord gegeven, dat de weg wijst, die u bij het ontwaken van deze schepping onfeilbaar naar de lichte hoogten voert, die u niet laat vallen, wat er ook gebeurt en in u probeert op te vlammen! Hebt u uw blik in trouwe overtuiging op het licht gericht, hebt u mijn woord juist begrepen, in uw zielen opgenomen, dan stijgt u rustig omhoog uit de chaos, gereinigd en gelouterd, vrij van alles wat u eens zou hebben kunnen beletten het paradijs binnen te treden.


Waakt en bidt daarom, dat u niet uw heldere blik laat vertroebelen door ijdelheid en eigendunk, als de ergste valstrikken voor deze aardemensen! Weest op uw hoede! Zo als u de bodem in uzelf thans hebt bereid, zo zal u geschieden bij de reiniging van de schepping!


Abd-ru-shin